Asymmetry and infants born preterm

Project: Asymmetry and infants born preterm (promotieonderzoek)
Promovenda: Jacqueline Nuysink
Looptijd: 2007-2012

Maatschappelijke relevantie

Eén op de vijf à zes op tijd geboren kinderen (13-20%) ontwikkelt een te sterke voorkeurshouding van het hoofd en/of een schedelvervorming in de eerste levensmaanden. Dit aantal is al jaren vrij hoog. Een van de oorzaken daarvoor is het advies om baby’s alleen op de rug te slapen te leggen, om het risico op wiegendood kleiner te maken. Daarnaast zijn er kinderen die een aandoening hebben die dit veroorzaakt, zoals bijvoorbeeld een oogafwijking of een groeistoornis in de schedel. Bij de meeste kinderen is die medische oorzaak er echter niet. Uit eerdere onderzoeken bij op tijd geboren kinderen blijkt, naast de slaaphouding, een aantal factoren een rol te spelen bij het ontwikkelen van de asymmetrie: de tijd dat een kind op de buik ligt als hij wakker is, een trage motorische ontwikkeling en te weinig bewegingsruimte in de baarmoeder.
Sommige kinderen lopen meer risico om schedelvervorming te ontwikkelen dan anderen, bijvoorbeeld jongetjes, eerstgeboren kinderen en meerlingen. Bij te vroeg geboren kinderen lijkt het ook vaker voor te komen, hoewel daar bij de hele jonge prematuren nog geen goed onderzoek naar was gedaan.

Theoretisch kader

Moderne inzichten over (motorische) ontwikkeling laten de invloed zien van omgevings- en taak-constraints op het bewegend functioneren (dynamische systeemtheorie en model van Newell). Ook heel jonge kinderen hebben daarmee te maken. Een voorbeeld is de veranderende omgeving voor een te vroeg geboren kind`; dat wordt te vroeg blootgesteld aan de omgeving buiten de baarmoeder.

Vraagstelling

Het proefschrift start met de vraag hoe kinderfysiotherapeuten bij jonge kinderen met een asymmetrie snel onderliggende aandoeningen kunnen herkennen.
De centrale vraagstelling in het kernonderzoek van de promotie was drieledig: zijn zeer vroeg geboren kinderen (< 30 weken zwangerschap) een risicogroep voor het ontwikkelen van een voorkeurshouding en schedelvervorming? Wat is het klinische beloop van deze asymmetrie? Wat zijn risicofactoren voor het persisteren van de asymmetrie?
Een bijkomende vraag was of het grofmotorisch niveau rond de 15 maanden en de leeftijd van het loslopen bij zeer vroeg geboren kinderen voorspeld konden worden met twee meetinstrumenten (TIMP en AIMS).

Doelstelling

Het generieke doel van het proefschrift was een bijdrage te leveren aan het diagnostisch proces en het nemen van klinische beslissingen bij zeer jonge kinderen met een atypische motoriek, die zowel door een asymmetrische ontwikkeling als door een ontwikkeling passend bij vroeggeboorte beïnvloed wordt.

Implementatie

Binnen het onderzoek is een differentiaaldiagnostisch screeningsinstrument ontwikkeld. Dat is een zinvol en efficiënt instrument dat kinderfysiotherapeuten kunnen toepassen bij het klinisch onderzoek van jonge kinderen met een asymmetrie. Het instrument kan gebruikt worden om hypotheses te formuleren en te testen tijdens het diagnostisch proces. Ook kunnen kinderfysiotherapeuten er de rode vlaggen mee herkennen om ernstige pathologie uit te sluiten. Met name de net afgestudeerde therapeuten zullen baat hebben bij het instrument bij het nemen van klinische beslissingen. Het instrument is geïmplementeerd in de opleiding Kinderfysiotherapie.

De bevindingen wat betreft idiopathische asymmetrie bij zeer vroeg geboren kinderen bevestigen duidelijk dat zij een risicogroep zijn voor het ontwikkelen van een schedelvervorming. Er zijn aanwijzingen dat kinderen die nog zuurstofafhankelijk zijn na 36 weken de kinderen zijn bij wie tijdige interventie op zijn plaats is. Voor de andere kinderen geldt, dat het zowel afhangt van het verloop van de motorische ontwikkeling, als van de manier waarop het kind beweegt, of interventie nodig is. Voor alle kinderen is het van groot belang om regelmatig en eenduidig adviezen te geven aan de ouders over positionering.
De conclusie was dat metingen op drie maanden te vroeg zijn om de grofmotorische rijping op 15 maanden of het loslopen te voorspellen. Vanaf zes maanden kan er, gebruikmakend van de AIMS, een beperkte voorspelling gedaan worden. Kinderen geboren na <30 weken zwangerschap gaan gemiddeld enkele maanden later loslopen dan op tijd geboren kinderen, zelfs wanneer de leeftijd gecorrigeerd wordt voor de vroeggeboorte. Kindgebonden factoren en culturele factoren lijken de leeftijd van het los gaan lopen te bepalen. We bevelen aan om aan de ouders uit te leggen dat deze vertraging normaal is voor zeer vroeg geboren kinderen.

Samenwerking

De onderwerpen van de studies hebben raakvlakken met het domein kindergeneeskunde en zijn tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de afdeling neonatologie van het Wilhelmina
Kinderziekenhuis in Utrecht. Bij de ontwikkeling van het screeningsinstrument zijn artsen en kinderfysiotherapeuten uit heel Nederland betrokken geweest.

Promotoren

  • 1e promotor, prof. Dr. P.J.M. Helders, Universiteit Utrecht
  • 2e promotor, prof. Dr. L.S. de Vries, Universiteit Utrecht
  • Co-promotoren, dr. J. van der Net, WKZ/UMCU en dr. I.C. van Haastert, WKZ/UMCU

Leefstijl en Gezondheid

Leefstijl en Gezondheid

Over het lectoraat

Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Sluiten