"Politici moeten minder vaak beloven dat ze het veiligheidsgevoel gaan verbeteren"

10-03-2017

“Politici moeten minder hoog van de toren blazen dat ze wel even het veiligheidsgevoel gaan verbeteren. Het vraagstuk is veel te complex voor snelle oplossingen. Als je rationeel bent, dan moet je constateren dat je qua beleid weinig fundamenteels kan doen aan bijvoorbeeld de beleving van criminaliteit.” Dat zegt onderzoeker Remco Spithoven van Hogeschool Utrecht, die vier jaar lang de gevoelens van onveiligheid van burgers onderzocht. Hij deed dat in het kader van zijn promotieonderzoek. Vrijdag 10 maart verdedigde hij zijn proefschrift bij de Vrije Universiteit Amsterdam.

Remco SpithovenVoor zijn promotieonderzoek maakte hij een historische analyse en deed hij een literatuurstudie. Verder nam hij dertig interviews af met zoveel mogelijk verschillende mensen; ongeveer honderd studenten van de HU hebben hem geholpen bij het vinden van de respondenten. Ook deed hij enquête-onderzoek in Amsterdam, Hilversum en Zaltbommel: ongeveer drieduizend mensen vulden de vragenlijsten in.

Hoogdravende taal

Spithoven ergert zich aan politici met hoogdravende taal over allerlei problemen die zij wel eens gaan oplossen. Het is nu immers verkiezingstijd. Volgens Spithoven zijn sommige beloftes aan de kiezers ‘volstrekte lariekoek’. “Ik heb het dan over bijvoorbeeld problemen in de zorg, op het gebied van economie en educatie. Het gaat om thema’s die er voor de burgers toe doen, waar we al decennia mee bezig zijn, maar veel van deze problemen zijn hardnekkig en complex. Dus een zekere terughoudendheid op al die vlakken is zeker gepast. Ik zie graag meer realisme bij politici.”

De gevoelens van onveiligheid staan hoog op de lijstjes van de politici. Volgens recent onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek voelen bewoners zich de afgelopen jaren minder onveilig in de eigen buurt. Goed nieuws, zegt Spithoven, maar na zijn jarenlange promotiestudie stelt hij dat gevoelens van onveiligheid bij burgers diepere oorzaken hebben. In zijn proefschrift duidt hij die oorzaken nader.

“Mensen voelen zich onveilig in Nederland, maar op veilige afstand; dat is de paradox die ik heb ontdekt. Mensen hebben een sterk gevoel dat het met Nederland de verkeerde kant op gaat en ervaren gevoelens van onbehagen en boosheid. Maar op persoonlijk niveau ervaren ze veel controle. Je kan bijvoorbeeld bepaalde plekken in de stad mijden, waardevolle spullen thuislaten en andere voorzorgsmaatregelen nemen, zoals extra sloten op de deuren. De mensen zeggen: ‘maatschappelijk gaan we down the drain, maar met mij gaat het goed’.”

In hoeverre kunnen politici en instanties onveiligheidsgevoelens bestrijden?
“Je moet als overheid niet direct de hele hooibaal van onveiligheidsgevoelens op je schouders nemen, want je bent als overheid aangesteld voor de bestrijding van de objectieve problematiek. Ik zie ook bestuurders te snel in een probleemstand schieten, en dan beloven aan burgers: ‘dat gaan we aanpakken’. Maar waar moet je beginnen om onveiligheidsgevoelens van burgers te verminderen? We zijn nu bezig met een vervolgonderzoek. We zijn daarbij aan het inzoomen op die buurten, die duidelijk negatiever scoren, vergeleken met soortgelijke andere buurten. Daar is sprake van ‘verstoorde veiligheidsbeleving’. Wat zit daar precies achter? We willen het verhaal achter de cijfers ophalen en vervolgens realistisch bekijken wat er gedaan kan worden.”

Verminderen die gesprekken met burgers de gevoelens van onveiligheid?
“Die vraag krijg ik vaak van bestuurders als burgemeesters en de minister van Veiligheid en Justitie. Mijn antwoord daarop is: ja, dat kan zeker het geval zijn. Je kan voor het individu en de buurt wel degelijk het verschil maken door het gesprek aan te gaan. Maar dat zie je niet terug in de cijfers over onveiligheidsbeleving over de hele stad. Dat moet ook niet je doel zijn. Daarmee eindig ik ook mijn proefschrift: richt je echt op kwalitatief het verschil maken op de plekken die er toe doen, en laat je daarbij leiden door de vele professionele inzichten en monitoren die voorhanden zijn. Het gevoel van onveiligheid is een te groot vraagstuk om er hele grote, meetbare doelen op te formuleren.”

Je zegt ook: lokaal kan je meer doen dan nationaal.
“Daarom moeten de problemen op buurtniveau worden aangepakt. In een achterstandswijk clusteren diverse problemen, met een bevolking die weinig tot geen contact heeft met de overheid en zelf dingen regelt om te overleven. Wat kan een lokale overheid daar betekenen voor het gevoel van veiligheid? Ik wil niet alle hoop opgeven, maar de overheid moet de situatie in die buurten juist inschatten. Daar zie ik het vaak misgaan. Soms gooien we er miljoenen tegenaan en blijkt de aanpak niet te werken. De geclusterde problemen als armoede, morele diversiteit en anonimiteit zijn gewoonweg te complex voor eenvoudige oplossingen. De oplossing ligt keer op keer in lokaal maatwerk.”