"Aandacht voor burgerschap op scholen is minimaal"

01-03-2018

In het onderwijs wordt aandacht besteed aan burgerschap, omdat dat in 2006 verplicht is gesteld door de overheid. Het is echter wel het minimum wat gebeurt op de scholen, zo stelt HU-onderzoeker Gertie Blaauwendraad in haar proefschrift dat ze vrijdag 2 maart zal verdedigen aan de Universiteit Utrecht.

BlaauwendraadBurgerschap wordt op scholen heel vaak gekoppeld aan sociale vaardigheden, zegt Blaauwendraad. “Dat wordt doorgaans heel zoet ingestoken: lief zijn voor elkaar en met respect met elkaar omgaan. Is dat dan burgerschap, vraag ik me dan af? Aan politieke vaardigheden wordt veel minder aandacht geschonken. Als scholen activiteiten doen in het kader van burgerschap, dan gaan de leerlingen in het verpleeghuis naast de school met kerst een liedje zingen of ze doen iets voor een goed doel.”

Politieke vaardigheden

“Als het gaat om politieke vaardigheden, dan gaat het om leren debatteren, onderhandelen over kwesties die spelen in het publieke domein. Die kwesties gaan ook mensen aan die onbekend zijn maar met wie wel het publieke domein gedeeld wordt, zoals in een bus of trein. Met die onbekende anderen is geen directe relatie. Politieke vaardigheden zijn nodig om in relatie tot onbekenden het algemeen belang van alle burgers centraal te kunnen stellen, waarin ook het eigen belang is meegenomen.”

“Als ik er vanuit ga dat iedereen vrij is en daardoor verantwoordelijkheid kan nemen, wat betekent dat voor het burgerschapsonderwijs in publieke domein? Dat betekent: alles moet erop gericht zijn om de vrijheid en verantwoordelijkheid te vergroten bij leerlingen, zodat zij continue in de gelegenheid zijn om zelf oordelen te vellen. Als docent verstrek ik wel kennis over bepaalde onderwerpen. Vervolgens bied ik de leerlingen de kans zelf na te denken over hun eigen mening omtrent een onderwerp en die tegen het licht te houden van wetten en verdragen in Nederland. Dit leidt tot een nieuwe type burgerschap: virtuoos burgerschap. Het woord ‘virtuoos’ betekent in dit verband dat leerlingen intensief oefenen met kennis en vaardigheden vanuit een eigen moreel kader.”

Interviews

Voor haar promotieonderzoek bestudeerde Blaauwendraad overheidsdocumenten en schoolgidsen. Daarnaast interviewde ze veertien leraren in de bovenbouw op basisscholen van verschillende signatuur in Gouda. Uit haar onderzoek blijkt dat individuele leraren niet altijd dezelfde burgerschapsvisie hebben als de school waarvoor ze werken. “Op de islamitische school waar ik onderzoek heb gedaan waren de leerkrachten bijvoorbeeld sterk gemotiveerd om bij te dragen aan de emancipatie van met name de meisjes, door hen te stimuleren om door te gaan studeren. Terwijl in de schoolgids van die school veel meer de nadruk wordt gelegd op je aanpassen aan de normen en waarden van de islam en de Nederlandse samenleving.”

“Wat vaak wordt gedacht is dat burgerschap heel veel kwalen in de samenleving kan oplossen, zoals botsende visies op de multiculturele samenleving. Dat probleem is eigenlijk niet op te lossen; daar moet je mee leren omgaan. Er zijn in de samenleving nu eenmaal verschillende meningen over dit onderwerp. Leraren hebben de neiging om te zeggen: dan voeren we maar geen discussie met elkaar, anders ontstaat er een conflict of ruzie in de klas. Als je de democratie wilt oefenen, dan moeten die verschillende opvattingen juist op tafel komen. En leer dan met elkaar in gesprek te gaan.”

Op mbo’s komt het voor dat islamitische leerlingen de holocaust ontkennen en dat leraren dat onderwerp liever uit de weg gaan.
Mijn advies aan die leraren is: ga dat onderwerp niet uit de weg, maak het bespreekbaar, laat de meningsverschillen hierover naast elkaar bestaan. Als docent hoor je soms dingen, waar je maag zich drie keer van omdraait. Maar het is belangrijk dat de leraar op zo’n moment de pedagoog is. Leerlingen praten vaak hun ouders, vrienden of Facebook na. Het is maar de vraag of ze echt zelf de holocaust ontkennen. Vraag hen om opheldering: waarom zeg je dit? Waarop baseer je die uitspraak? Leer ze denken, leer ze oordelen en ga ze dus niet afstraffen dat ze het niet mogen zeggen. Want dan bied je die leerlingen niet de mogelijkheid hun eigen mening te ontwikkelen. Een docent mag best zeggen dat hij het niet eens is met de ontkenning van de holocaust, maar pas aan het einde van de discussie in de klas. Dit is een mooi voorbeeld van werken aan goed burgerschap in het onderwijs.”

Waarom heb je gekozen voor het onderwerp ‘Aandacht voor burgerschap in het onderwijs’?
“Mijn onderwerp is gepositioneerd vanuit de Normatieve professionalisering, wat ook de naam is van het lectoraat bij de HU, waarvoor ik werkzaam was. Normatieve professionalisering gaat onder andere over de vraag wie de norm voor professionals (leraren) stelt? Doen ze dat zelf? Doet de onderwijsorganisatie dat? Of doet de overheid dat? Binnen dat onderzoeksdomein zijn er drie lijnen, waarvan één zich richt op het maatschappelijke aspect. Als je dat koppelt aan het onderwijs, dan kom je uit op ‘burgerschap in het onderwijs’.”